Gij zult niet klagen.
"Gij zult niet klagen." Een leuze die er sinds mijn kindertijd ingedramd werd.
Hoewel wij allen in de lagere school in een mijnwerkerscité het niet breed hadden, werden wij er door de "meesters" regelmatig aan herinnerd dat de negerkes in Afrika het pas slecht hadden. (het woord mag nu niet meer gebruikt worden maar ik hoop in deze context wel). Wij daarentegen leidden een luilekkerleventje waarbij we alles in overvloed hadden.
Om solidair te zijn met deze arme Afrikaanse kinderen hadden we jaarlijks een sobere maaltijd op school. Rijst met stoofvlees en een glas water. Voor mij enkel rijst en een glas water trouwens, want mijn ouders waren toendertijd al vegetariër.
Grootouders ondersteunden dit verhaal. In de oorlog was alles veel erger dan nu. Zij moesten eikelkoffie drinken en boter was schaars en moest gesmokkeld worden. Wij hadden het goed, ten allen tijde was er voedsel beschikbaar.
Wij trokken onze plan, werden nergens naartoe gebracht. Zelf te voet of met de fiets als we ergens wilden geraken. Mijn medeleerlingen maakten zelf werpsterren, gesneden uit metaal en scherp geslepen thuis aan de slijpmachine, naar analogie met de toenmalig populaire ninja films. Daarom moest je op onze lagere school goed uitkijken, want de bomen daar op de speelplaats werden als roos om te mikken gebruikt. Niet enkel voor werpsterren, maar ook voor knikkers of stenen met de katapult. Waardoor er geregeld kinderen met een gat in hun hoofd moesten afgevoerd worden.
Ik weet nog dat ik een nieuwe fiets had met een nieuw fietsslot. En algauw kwam er een kring kinderen rond staan om om ter eerst dat cijferslot te kunnen openbreken. Dit lukte na een minuut of 2 waarna het slot als krijgstrofee boven het hoofd gestoken werd. En dit alles op luid gejoel van de menigte onthaald werd.
Klagen was in die tijd enkel iets voor oude vrouwtjes.